BIJ LOUIS DE FUNEST THUIS
- 22 jul
- 7 minuten om te lezen
Over een vergeten wielercarrière, een gezicht dat altijd slecht nieuws lijkt te brengen en vijf naaktkatten met een eigen verzorgingsregime
Een week voor de start van de Tour bezocht Wim de Waaier de zonderlingste sprinter van l’Oeros–Kukident.
Door Wim de Waaier
Het huis van Louis de Funest staat aan de rand van een klein Frans dorp, achter een verweerd hek en drie struiken die duidelijk al jaren zonder ploegleider groeien.
Op de vensterbank zit een naaktkat.
Ze kijkt mij aan alsof mijn bezoek niet is aangekondigd.
Wanneer Louis de deur opent, begrijp ik onmiddellijk waarom fotografen moeite met hem hebben. Hij is lang, kaal, opvallend bleek en zo mager dat zijn jukbeenderen eerder ontworpen dan gegroeid lijken. Zijn donkere ogen liggen diep in zijn gezicht. Wanneer hij glimlacht, oogt het alsof hij zojuist slecht nieuws heeft gehoord en besloten heeft het voorlopig voor zichzelf te houden.
“Wim,” zegt hij.
“Louis.”
“Ge ruikt de katten.”
Het is geen vraag.
In de hal hangt inderdaad een merkwaardige lucht. Warme huidzalf, sterke koffie, oude wielerschoenen, vochtige handdoeken en iets medicinaals dat vermoedelijk ooit in een apotheek is begonnen, maar onderweg een geheel eigen karakter heeft ontwikkeld.
“Ge went eraan,” zegt Louis.
Dat blijkt later slechts gedeeltelijk waar.
VAN CRITERIUMRENNER TOT VERGETEN SPRINTER
We gaan zitten aan een zware houten tafel. Louis schenkt koffie in twee kopjes zonder schoteltje. Naast hem ligt een map vol vergeelde uitslagen, oude startlijsten en foto’s uit amateurwedstrijden. Op de meeste afbeeldingen staat Louis ergens halverwege het peloton, half verscholen achter een grotere renner.
Wim de Waaier: Ge zijt niet bepaald als wonderkind begonnen.
Louis de Funest: Neen.
Wim: Wanneer wist ge dat ge een sprinter waart?
Louis: Toen ik ontdekte dat ik niet goed genoeg klom.
Wim: Dat klinkt weinig romantisch.
Louis: De bergen zijn ook weinig romantisch wanneer ge achteraan rijdt.
De Funest begon zijn loopbaan in kleine Franse criteriums. Wedstrijden rond kerken, gemeentehuizen en parkeerplaatsen, waar het prijzengeld soms lager was dan de benzinekosten naar de start.
Hij won zelden, maar eindigde opvallend vaak bij de eerste tien. Niet door brute kracht, maar door timing.
Een voormalige ploegleider beschreef hem ooit als een renner die negentig kilometer lang vermist kon lijken en in de laatste bocht plotseling in het wiel van de favoriet zat.
Louis knikt wanneer ik hem het citaat voorlees.
Louis: Zichtbaar zijn kost energie.
Wim: Ge had geen sprinttrein?
Louis: Soms had ik één ploegmaat.
Wim: En wat deed die?
Louis: Meestal ook zijn best.
Zijn carrière verliep grillig. De Funest reed voor regionale ploegen, kleine continentale formaties en één renstal die halverwege het seizoen verdween nadat de hoofdsponsor de fietsen terugvorderde.
Er waren overwinningen, maar nooit genoeg voor een definitieve doorbraak. Hij was te licht voor een klassieke machtssprint, te eigenaardig voor commerciële campagnes en te zwijgzaam voor ploegleiders die hun renners graag hoorden vertellen hoe gemotiveerd ze waren.
EEN GEZICHT DAT NIET MEEWERKT
Zijn uiterlijk is onvermijdelijk onderwerp van gesprek.
Wim: Mensen denken soms dat ge ziek zijt.
Louis: Mensen denken veel.
Wim: Ge zijt bijzonder bleek.
Louis: Dat is niet besmettelijk.
Wim: En die donkere ogen?
Louis: Handig in tunnels.
Volgens de medische begeleiding van l’Oeros–Kukident is De Funest kerngezond. Zijn gewicht is laag, zijn vetpercentage nog lager en zijn herstelvermogen uitstekend.
Alleen ziet niemand dat.
Op trainingsfoto’s lijkt hij uitgeput. Tijdens ploegenpresentaties oogt hij alsof hij tegen zijn zin aanwezig is bij een begrafenis. Zelfs op vakantiefoto’s heeft hij de blik van een man die vermoedt dat de hotelkamer niet grondig is schoongemaakt.
De fotograaf die vandaag is meegereisd, vraagt Louis iets vriendelijker te kijken.
Louis probeert het.
De fotograaf controleert zijn scherm en trekt een bedenkelijk gezicht.
“Het lijkt alsof hij zojuist slecht nieuws heeft gehoord,” fluistert hij.
“Dit ís vriendelijk,” antwoord ik.
Louis heeft ons gehoord.
“De foto is goed,” zegt hij.
“Hebt ge hem al gezien?” vraagt de fotograaf.
“Neen.”
DE TWEEDE KANS VAN GERT VAN OS
De carrière van De Funest leek enkele jaren geleden langzaam uit te doven. Tot Gert van Os belde.
De Nederlandse ploegleider was bezig met de opbouw van l’Oeros–Kukident, een renstal die aanmerkelijk groter klinkt dan zij werkelijk is. De formatie bestaat uit slechts twee renners: Louis de Funest en Jean Claude de Balzac.
De Balzac is de ervaren wegkapitein. De Funest werd aangetrokken als sprinter.
Wim: Waarom hebt ge voor Gert gekozen?
Louis: Hij belde.
Wim: Belden andere ploegen ook?
Louis: Neen.
Wim: Dat maakte de keuze eenvoudig.
Louis: Ik houd van eenvoud.
Van Os zag in hem wat anderen niet meer zagen: een renner die geen grote ploeg nodig had om in een finale de juiste positie te vinden.
“Louis past precies bij onze ploeg,” vertelt Van Os. “Hij heeft geen uitgebreide begeleiding of vijf man voor zich nodig. Geef hem een fiets, een rugnummer en een finishlijn. Dan zoekt hij de rest zelf wel uit.”
De Nederlandse ploegleider laat De Funest bovendien grotendeels met rust.
“Je moet hem niet elke ochtend vragen hoe hij zich voelt,” zegt Van Os. “Hij zegt toch dat het goed gaat, terwijl hij eruitziet alsof hij al drie dagen vermist is. Je leert daar doorheen kijken.”
TWEE RENNERS, ÉÉN PLAN
De samenwerking tussen De Funest en Jean Claude de Balzac is even merkwaardig als logisch.
De Balzac praat voortdurend. De Funest vrijwel nooit. Jean Claude kent iedere zijweg, rotonde en dorpsbakker in Frankrijk. Louis weet vooral waar hij in de laatste tweehonderd meter moet zitten.
Wim: Hoe is de samenwerking met Jean Claude?
Louis: Hij praat. Ik luister.
Wim: En in de finale?
Louis: Dan praat hij nog steeds.
Wim: Is dat nuttig?
Louis: Soms vertelt hij waar de finish ligt.
Waar grote sprintploegen met vier of vijf renners naar de laatste kilometer trekken, moet l’Oeros–Kukident het met twee man doen.
De Balzac probeert Louis zo lang mogelijk uit de wind te houden. Daarna zoekt De Funest zelf een wiel bij een andere ploeg.
“Wij hebben geen sprinttrein,” zegt Van Os. “Wij hebben Jean Claude. En daarna moet Louis hopen dat hij bij de juiste trein instapt zonder kaartje te kopen.”
EEN TOUR ZONDER GROTE BELOFTEN
De Tour begint over een week. De Funest geldt niet als favoriet voor het groen. De grote sprintploegen beschikken over sterkere treinen, bredere selecties en renners met een indrukwekkender palmares.
Louis lijkt er niet wakker van te liggen.
Wim: Wat verwacht ge van deze Tour?
Louis: Dat ze lang is.
Wim: Hebt ge etappes aangekruist?
Louis: Gert heeft dat gedaan.
Wim: Hoeveel kansen hebt ge?
Louis: Iedere finish is een kans wanneer de anderen moe zijn.
Wim: Droomt ge van een ritzege?
Louis kijkt enige tijd naar zijn koffie.
Louis: Dromen kost niets.
Wim: Gelooft ge dat ge kunt winnen?
Louis: Anders zou ik thuisblijven.
Hij wil geen groene trui voorspellen. Geen aantal topvijfplaatsen en geen grootse intocht in Parijs.
De Funest wil de bergen overleven, zijn momenten kiezen en vooral niet te vroeg zichtbaar worden.
“De andere sprinters hebben knechten,” zegt hij. “Ik heb geduld.”
DE KATTEN
Dan begint het te miauwen.
Niet één kat. Vijf.
Uit verschillende hoeken van het huis verschijnen Bordeaux, Roubaix, Ventoux, Bernard en Chantal. Allemaal sphynxkatten, allemaal met grote oren en allemaal met dezelfde afwachtende blik als hun eigenaar.
Wim: Waarom juist naaktkatten?
Louis: Ze verliezen geen haar.
Wim: Dat hebt ge met hen gemeen.
Louis: Daarom begrijpen we elkaar.
De Funest verzorgt zijn dieren met bijna professionele toewijding. Ze beschikken over verwarmde dekens, speciaal voer en een uitgebreid programma voor huidverzorging. Tijdens de Tour wil hij dagelijks foto’s ontvangen van hun oren, poten en huid.
Gert van Os kent de routine inmiddels.
“Louis vraagt vaker hoe het met Bordeaux gaat dan hoe de volgende etappe eruitziet,” vertelt hij. “Ik heb hem uitgelegd dat ik ploegleider ben en geen dierenarts. Dat maakte weinig indruk.”
Louis haalt een grote pot zalf uit een kast.
Bordeaux wordt op een handdoek op de keukentafel gezet.
Wat volgt, is het merkwaardigste verzorgingsmoment dat ik ooit tijdens een wielerinterview heb meegemaakt.
Louis neemt een royale hoeveelheid vettige balsem en begint de kat stevig in te smeren. Niet voorzichtig aaiend, maar met de geconcentreerde kracht van een mecanicien die een vastgelopen trapas probeert los te krijgen.
Bordeaux protesteert luid.
“Dat lijkt nogal hardhandig,” zeg ik.
“Hij beweegt,” antwoordt Louis.
“Misschien beweegt hij omdat ge zo hardhandig zijt.”
“Dan werkt het.”

De fotograaf maakt een foto. Op het scherm lijkt Louis de kat klaar te maken voor een geheime medische operatie. “Is dat veilig?” vraagt de fotograaf.
“Voor wie?” antwoordt Louis.
Enkele minuten later wordt Bordeaux in een warme handdoek gewikkeld en voorzichtig naast de radiator gelegd. Vrijwel onmiddellijk begint het dier te spinnen.
Louis kijkt tevreden.
“Hij vindt het goed.”
“Nu wel,” zeg ik.
“Nu telt.”
DE MAN ACHTER DE SCHIM
Louis de Funest past niet in het klassieke beeld van een topsprinter.
Hij is niet breed, luidruchtig of indrukwekkend gespierd. Hij heeft geen eigen sprinttrein, geen groot palmares en geen behoefte aan aandacht.
Hij beschikt wel over iets wat moeilijker te meten is: koersgevoel.
Hij weet wanneer hij moet wachten. Wanneer hij een ander wiel moet kiezen. Wanneer de grote ploegen elkaar beginnen aan te kijken. En hij weet hoe het voelt om jarenlang over het hoofd te worden gezien.
Wim: Wat moet het publiek van u onthouden?
Louis: Niets.
Wim: Dat is lastig voor een interview.
Louis: Onthoud dan dat ik er was.
Een week later begint de Tour.
Zeventien etappes daarna zal Louis de Funest winnen. De bleke sprinter zonder trein, uit de kleinste formatie van het peloton, zal alle bekende snelle mannen verslaan.
Maar op deze middag weet niemand dat nog.
Louis sluit de pot kattenzalf. Bordeaux slaapt bij de kachel en de vreemde geur in het huis is inmiddels volledig in mijn jas getrokken.
Bij de deur stelt Louis nog één vraag.
“Wanneer komt dit interview uit?”
“Voor de Tour.”
Hij knikt.
“Dan denken ze dat ik vreemd ben.”
“En na de Tour?”
Louis trekt een smalle glimlach.
“Dan noemen ze het karakter.”




Opmerkingen